De saxofoon in de KMK

François Dunkler jr. (1816–1878), kapelmeester van de stafmuziek van de Grenadiers en Jagers in Den Haag (later de Koninklijke Militaire Kapel en nu de KMKJWF), speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de Nederlandse militaire blaasmuziek. Halverwege de negentiende eeuw waren blaasorkesten nog volop aan het experimenteren: blaasinstrumenten werden verbeterd, nieuwe instrumenten verschenen en kapelmeesters zochten naar een krachtiger en meer uitgebalanceerde klank binnen het blaasorkest.

Een van de belangrijkste vernieuwers in deze periode was de Belgische instrumentbouwer Adolphe Sax, bekend als de uitvinder van onder andere de saxofoon en de saxhoornfamilie. Dunkler jr. was bevriend met Sax en raakte betrokken bij deze innovaties. Binnen de stafmuziek van de Grenadiers en Jagers werden de nieuwe instrumenten van Sax al vroeg uitgeprobeerd en toegepast. Daarmee behoorde Dunkler tot de eersten die deze vernieuwingen in de Nederlandse militaire muziek introduceerden, zelfs nog vóórdat ze in Frankrijk breed ingang vonden. In 1849 keerde Dunkler terug van een reis naar Adolphe Sax met een altsaxofoon in zijn bagage. (bron: Caecilia, jaargang 6, nr. 11). En niet lang daarna moet hij ook een bassaxofoon (in C) naar Nederland hebben gehaald. Eén van de eerste stukken waarin de altsaxofoon en bassaxofoon in de Nederlandse blaasmuziek zijn gebruikt, vinden we in de ouverture Oberon in een bewerking van F. Dunkler jr. Aan het einde van de partituur staat vermeld “Fini le 18 août 1851.” De première van deze bewerking van Oberon vond plaats in het Haagse Bos op 16 september 1852. Later heeft Dunkler de twee saxofoonpartijen vervangen door een saxofoonkwartet (sopraan-, alt-, tenor- en baritonsaxofoon). De originele partituur van deze Ouverture ligt tegenowoordig in het Museum Garde Grenadiers en Jagers, waar ook de originele bassaxofoon van Adolphe Sax uit 1848 te bewonderen is.

De bassaxofoon in C in het Museum Grenadiers en Jagers in Schaarsbergen

Eduard Lefebre: The Saxophone King meets the March King

In de negentiende eeuw speelde de in Leeuwarden geboren saxofonist Eduard Lefebre bij de stafmuziek van de Grenadiers en Jagers in Den Haag, onder leiding van kapelmeester François Dunkler jr. Lefebre behoorde tot de eerste generatie saxofonisten van het orkest, maar hij bleef niet lang in Den Haag. Hij bouwde een internationale carrière op en vertrok uiteindelijk naar de Verenigde Staten. Daar werd hij in 1873 aangenomen in de Twenty-second Regiment National Guard Band in New York bij Patrick Gilmore, destijds één van de beroemdste Amerikaanse bandleiders. Gilmore richtte een complete saxofoonsectie in met sopraan-, alt-, tenor- en baritonsaxofoon. Volgens onderzoek van de University of Illinois was dit de eerste saxofoonsectie in een Amerikaanse band. Lefebre speelde daarin altsaxofoon en trad veelvuldig op als solist. Daardoor behoorde lefebre tot de musici die de toen nog betrekkelijke onbekende saxofoon in de Verenigde Staten op de kaart zette. Zijn solo- en kwartetoptredens met Gilmores orkest inspireerden volgens de University of Illinois Amerikaanse musici om saxofoons uit Europa te laten komen.

Lefebre groeide in Amerika uit tot een van de bekendste saxofonisten van zijn tijd en verwierf de bijnaam ‘The Saxophone King’. In 1878 keerde Lefebre terug naar Nederland als lid van Gilmores beroemde Amerikaanse orkest dat dat jaar een grote Europese tournee maakte. De reis voerde het gezelschap onder meer langs Rotterdam, Amsterdam en Den Haag. Het bezoek van het orkest van Gilmore aan Den Haag zorgde voor een ontmoeting tussen kapelmeesters Dunkler jr. en Gilmore. Gilmore heeft een hoop van Dunklers muziek gekocht om deze later in New York uit te kunnen voeren. (bron: Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage 11-07-1878) 

11 juli 1878 Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage

Afbeelding – 1,1 MB 1 download

Saxofonist Lefebre in het orkest van Patrick Gilmore in de VS in 1891.

Concertprogramma van de Gilmore Band met Lefebre als saxofoonsolist op 21 mei 1878 in Crystal Palace in Londen.

Na de tournee ging het orkest terug naar New York, maar Lefebre bleef nog een tijd in Europa om als solist op te treden. Hij speelde onder andere in Leipzig, waar zijn spel de aandacht trok van componist Richard Wagner. Daarna volgden meer optredens in o.a. Duitsland en Scandinavië.

In 1888 ontmoette Lefebre Ferdinand August Buescher, voorman bij de Amerikaanse instrumentbouwer C.G. Conn. Conn wilde in de Verenigde Staten zelf saxofoons gaan produceren en voor de ontwikkeling van Conss eerste saxofoon gebruikte Buescher de saxofoon van Lefebre als voorbeeld. Het ontwerp ging in 1892 in productie. Een instrument van een voormalige saxofonist van de Haagse Grenadiers stond daarmee aan de basis van de vroege Amerikaanse saxofoonbouw. Lefebre trad op als adviseur bij de ontwikkeling van de eerste Amerikaanse Conn-saxofoons en werkte van 1895 tot 1900 als consultant voor het bedrijf. Daarnaast gaf hij van 1896 tot 1900 les aan het Conn Conservatory. Lefebre droeg dus niet alleen als uitvoerder bij aan de bekendheid van de saxofoon in Amerika, maar ook aan de ontwikkeling en verspreiding van het instrument zelf.

En Lefebre dook nóg op een andere plek op waar muziekgeschiedenis werd geschreven. In 1889 werd zijn saxofoonspel vastgelegd door de Edison Phonograph Company. Hij behoorde daarmee tot de allereerste saxofonisten van wie het spel op een fonograaf werd opgenomen. Hoewel, sommige bronnen beweren dat het Lefebres leerling, Bessie Mecklem, is van wie de eerste opname is gedocumenteerd en dat deze is opgenomen met twaalf Edison-cilinders op 23 april 1892.

Na het overlijden van Patrick Gilmore in 1892 maakte Lefebre de overstap naar het orkest van John Philip Sousa. Daarmee kwam hij terecht bij de man die als ‘The March King’ zou uitgroeien tot een van de bekendste namen uit de geschiedenis van de blaasmuziek.