Wapenfeiten
1830-1831: Belgische Opstand & Tiendaagse Veldtocht - Stafmuziek van het regiment Grenadiers, Koninklijke Militaire Kapel
Tiendaagse Veldtocht - stafmuziek van de 11e afdeling infanterie, nu Limburgse Jagers
Stafmuziek Grenadiers
Omdat Willem I vanwege de toenemende spanningen in het zuiden regelmatig in Brussel verbleef, bevond ook de muziekkapel van de Grenadiers onder leiding van François Dunkler sr. zich daar op het moment dat de Belgische revolutie uitbrak. Dunkler sr. was niet alleen een bekwame muzikant, maar ook een ervaren militair. Die achtergrond bleek van grote waarde tijdens de onrust in het najaar van 1830. Hij nam de leiding over zijn muzikanten, onder wie zijn zoon van dertien. Na hevige confrontaties wist Dunkler zich met zijn muzikanten een weg uit de stad te forceren, zodat zowel de mensen als de instrumenten in veiligheid konden worden gebracht. Uiteindelijk werd de kapel blijvend verplaatst naar Den Haag.
Kolonel Jhr. Klerck schreef: "dat kapelmeester Dunkler gedurende gemelde dagen geheel alleen het toezigt over de gemelde muzikanten heeft gehouden en de afdeling (die langs andere wegen gemelde stad had verlaten) heeft geresoigneerd, zonder dat er iemand gedeserteerd was of eenig muziekinstrument mankeerde. Dat het alzoo aan de bijzondere zorg en serveillance van gemelden Heer Dunkler is toe te schrijven er staande die tijd, geene verliezen hebben plaats gevonden."
Bij de Tiendaagse Veldtocht is de stafmuziek ingedeeld bij de afdelingen Grenadiers bij de 1e Divisie Infanterie olv den luitenant-generaal J. baron van Geen. Ook de stafmuziek van de jagers was mee. Zij hebben één vermiste muzikant na afloop van de tiendaagse veldtocht: eleve-muzikant Schnell.
Na afloop van de Tiendaagse Veldtocht verbleef deze divisie op de heide bij Gilzen, waar Dunkler de Grenadiersmars 'Turf in je ransel' heeft geschreven.
Hoornblazers en Tamboers Grenadiers:
De hoornblazers en tamboers behoorden tot de troepen.
Gewond: sergeant-hoornblazer Mennes, hoornblazer Brebart. Vermiste hoornblazers en Tamboers: hoornblazer d'Everlange, hoornblazer De la Touche,
Stafmuziek 11e Afdeling Infanterie
De stafmuziek 11e Afdeling Infanterie was gevestigd in Namen, België, en nam deel aan de Tiendaagse Veldtocht. Kapelmeester Charles Heinrich Otto Harndorff werd in 1832 gedoceerd met het Metalen Kruis voor zijn deelname aan de Tiendaagse Veldtocht.
Meidagen 1940: Slag bij Ockenburg - Koninklijke Militaire Kapel, stafmuziek van het regiment Grenadiers
Tijdens de mobilisatie hield de Koninklijke Militaire Kapel (KMK) zich vooral bezig met het spelen voor de troepen en het ondersteunen van de krijgsmacht bij staatsceremonieel en bewustzijn creëren voor de dreigende oorlog. De radio besteedde veel aandacht aan de mannen die onder de wapenen waren geroepen. Zo wijdde de bekende radiojournalist Paul de Waart indertijd een hele radioserie aan de krijgsmacht, waaraan de KMK meewerkte. Gedurende de mobilisatie trok de kapel ook langs de militaire troepenconcentraties om de soldaten wat afleiding te geven.
KMK olv kapitein Walther Boer in de radiostudio van de KRO tijdens de mobilisatie in 1939.
Tot begin mei 1940 waren de leden van de KMK dus vooral bezig met hun gewone taken als militair muzikant. Ze namen op 30 april 1940 deel aan een grote militaire parade in Den Haag voor de dragers van de Militaire Willemsorde, en bereidden ze zich voor op een optreden tijdens een nationale bijeenkomst van studenten op 10 mei, met als doel het nationale bewustzijn in de samenleving te versterken. Het concert ging echter niet door.
De Volkskrant, 7 mei 1940
De Courant, 1 mei 1940
Tussen 7 en 9 mei 1940 werden de leden van de kapel bij hun regiment geroepen als gewondendragers en sloten zich aan bij de staf die zich op dat moment in een schoolgebouw in Loosduinen (Den Haag) bevond.
In de vroege ochtend van 10 mei 1940 werden de in Loosduinen gelegerde troepen ruw gewekt door het gebulder van vliegtuigen en het scherpe geknetter van artillerie- en geweervuur. Niet ver van hen lag vliegveld Ockenburg, één van de eerste doelen van de Duitsers. De militairen in Loosduinen vormden een bont gezelschap: naast de staf van het Regiment Grenadiers waren er een mitrailleurcompagnie, een mortiercompagnie, administratief personeel en ook de musici van de KMK onder leiding van hun dirigent, kapitein Walther Boer, aanwezig. De bewapening van de muzikanten bestond uit pistolen en karabijnen.
Toen de eerste parachutisten uit de lucht neerdaalden, werd al snel duidelijk dat onmiddellijk gehandeld moest worden. Veel militairen stonden verstijfd naar de hemel te kijken, terwijl anderen in nachtkleding naar buiten renden en met hun karabijnen het vuur openden op de overvliegende toestellen.
Met hulp van enkele gealarmeerde officieren, waaronder kapelmeester kapitein Walther Boer, probeerde de regimentsstaf orde te scheppen in de chaos. Iedereen die beschikbaar was, werd in kleine groepjes verdeeld en in de richting van Ockenburg gestuurd. Zo trokken geïmproviseerde verbanden, zonder veel samenhang, op naar het vliegveld, vastbesloten de vijand tegen te houden. Ook de musici van de KMK gingen mee.
Tijdens de gevechten om vliegveld Ockenburg hielpen zij gewonden verzorgen en afvoeren. Na de strijd trokken zij zich, samen met de andere Grenadiers en Jagers, tactisch terug naar Den Haag.
Algemeen Handelsblad, 18 mei 1940
De laatste foto bij de demobilisatie van het Nederlandse leger, 15 juli 1940.
Directeur kapitein Walther Boer sprak tot de leden van de kapel: “Tot ziens op de dag dat koningin Wilhelmina terug is in het paleis Noordeinde in Den Haag”.
Dragtster Courant, 30 juli 1940
Het Volk, 24 juli 1940
Video: Hillie Wijenberg
Opname van het concert 'Op het vaandel' van de Koninklijke Militaire Kapel 'Johan Willem Friso' olv majoor Frans-aert Burghgraef over de geschiedenis van de kapel rond de Tweede Wereldoorlog.
Meidagen 1940: Slag om de Grebbeberg
Bij de Slag om de Grebbeberg zijn vier muziekkorpsen ingezet:
- Op de stoplijn zat de stafmuziek van het 8e Regiment Infanterie.
- Ten noorden van de Grebbeberg zat de stafmuziek van het 7e Regiment Infanterie.
- Ten zuiden van de Grebbeberg zat het trompetterkorps van het 4e Regiment Huzaren (nu Huzaren van Boreel).
- Bij de tegenstoot is het muziekkorps van het 24e Regiment Infanterie (dubbelregiment Jagers) ingezet.
Meidagen 1940: Slag om de Grebbeberg - Muziekkorps Jagers
Gemobiliseerde militairen - 24e Regiment Infanterie
Tijdens de mobilisatie in september 1939 kwam hoornblazer Los in Puiflijk aan het roer te staan van het muziekkorps van het regiment Jagers. Daar stonden ze in een wijden kring om hunleider geschaard, de klarinetten, saxofoons, tuba’s, trombones en wat er al meer nodig is om een mars de lucht in te smetteren!
Al snel trok het korps door het dorp en werd het overgegeven aan de nieuwsgierige blikken van de bewoners. Trappelende paarden, openslaande deuren, overal werd het geluid van marsmuziek met vreugde ontvangen. De toeschouwers oordeelden: “Daar zit best muziek in.”
Later schrijft één van de militairen gelegerd in Puiflijk het volgende in zijn dagboek:
Sinds kort heeft onze Compagnie (de 1e Compagnie) een eigen lopende blaasband. Het dagelijks marcheertraject naar Leeuwen en terug wordt nu met muziek en hoornblazer voorop veel genoeglijker afgelegd. "Blonde Mientje heeft een hart van prikkeldraad" is tegenwoordig de tophit, met direct daaropvolgend "Sari Marijs".
Maanden vertoeven de gemobiliseerde militairen in Puiflijk. Zo lijkt ook op de avond van 9 mei 1940 alles nog normaal. In de kantine draait een film en rond elf uur ’s avonds zochten de mannen hun bed op. Kort na middernacht verandert alles: om 1:00 uur blaast hoornblazer Antonie Los de reveille. De toestand is kritiek. Het bataljon wordt gealarmeerd en moet zo snel mogelijk de stellingen betrekken.
Wanneer rond 05:30 uur het luchtdoelgeschut begint te vuren, is duidelijk dat de oorlog is uitgebroken. Duitse vliegtuigen trekken in grote aantallen over het gebied. Officieren spreken van honderden Duitse toestellen. Van grondtroepen is nog geen sprake. Het bataljon ligt in reserve en bezet zijn stellingen, wachtend op wat komen gaat.
In de nacht van 10 op 11 mei komt een onverwacht bevel: ze moeten de stellingen verlaten. Midden in de nacht trekt het bataljon met de muzikanten van soldaat Los te voet richting Maurik. Rust krijgen ze nauwelijks. Nog voor ze goed en wel zijn aangekomen, komt een nieuw bevel: verder, richting Rhenen. En kort daarna opnieuw: terug naar Amerongen, om vervolgens weer naar Rhenen te moeten. De militairen raken gefrustreerd. Ze begrijpen niet wat de legerleiding met hen van plan is. Steeds opnieuw worden ze van de ene plek naar de andere gestuurd. En telkens, zodra ze ergens aankomen, blijkt het niet de juiste plek te zijn en moeten ze opnieuw verder.
Wanneer het bataljon op 12 mei rond 18.00 uur Rhenen binnenkomt, is de spanning voelbaar. Zwijgend lopen de mannen door de hoofdstraat. Het bataljon met de muzikanten zien de sporen van de strijd: alle inwoners zijn geëvacueerd. De stad staat in brand en zelfs uit de Cuneratoren slaan de vlammen. De mannen worden bijeengeroepen. De commandant leest de orders voor: het bataljon zal worden ingezet op de Grebbeberg. Wijken wordt met de kogel gestraft. Het doel is om de verdedigingslinie weer recht te buigen ter ondersteuning van het 8e Regiment Infanterie. In stilte maakt eenieder zich klaar voor de aanval. Bepakking wordt achtergelaten en zakken en patroontassen gevuld met munitie. De eerste compagnie, de compagnie met de meeste muzikanten, is reserve en volgt de commandogroep, terwijl de andere compagnieën voorop gaan.
Aan de voet van de berg begint de eigenlijke aanval. De opdracht is om links van de hoofdweg op te rukken richting het bos op de helling. Iedereen die zonder bevel terugtrekt, wordt neergeschoten. In de schemering (rond 19.00 uur) rukken de mannen op.
Zonder problemen bereiken de commandogroep, de twee aangewezen voorcompagnieën en de 1e compagnie de overkant van het viaduct. Onmiddellijk na het viaduct wordt in noordelijke richting afgeslagen voor de bevolen uitgangsstelling. Dan gaat het mis. Er wordt geschoten en al snel merken de militairen dat het vuur van eigen troepen komt. Het open terrein biedt weinig dekking tegen het mitrailleurvuur, dat na een eerste verkenning vrijwel zeker afkomstig blijkt te zijn van Nederlandse stellingen, west van de spoorbaan. Om het vuren te doen laten stoppen, besluit de commandant een patrouille naar achteren te sturen. Met witte zakdoek om de bajonet gebonden gaan twee soldaten naar het viaduct en in het mitrailleursnest aangekomen verzoekt men hen met klem het vuur te staken.
Het bataljon vervolgt, zoveel mogelijk in de afgesproken formatie, zijn weg over de Levendaalseweg. Aanvankelijk is de weg verhard, maar al snel gaat deze over in een zandpad. Aan de rechterzijde ligt een dennenbos, aan de andere kant dicht kreupelhout langs een greppel met daarachter open veld.
Geheel onverwacht wordt vuur van voren geopend, even later gevolgd door beantwoordend vuur van achterliggende eigen troepen. Kogels fluiten iedereen om de oren en haastig wordt dekking gezocht. Het gekraak en geritsel dat daarbij ontstaat, lokt opnieuw vuur uit het bos, waardoor de situatie steeds nijpender wordt. In het open terrein is nauwelijks dekking en in de verwarring raken de eenheden elkaar kwijt in het donker. Ook de 1e compagnie zelf valt uiteen. In het donker zoekt de groep van hoornblazer Los zijn weg, maar loopt vast op prikkeldraad. Ze moeten eromheen en zo komen ze per toeval terecht bij een ondergrondse veldkeuken. Steeds meer militairen van de 1e Compagnie verzamelen zich daar. Maar veilig is het niet. Mitrailleurvuur komt van voren, en daarna ook van de andere kant. Niemand weet nog waar de vijand zit, of wie de eigen troepen zijn. Als ook het zware artillerievuur begint, vult de ruimte zich met gewonden, tientallen.
Dan blijkt dat de veldkeuken omsingeld is. Van buiten klinkt geschreeuw: ‘Heraus, heraus!’ De militairen aarzelen. Maar wanneer handgranaten naar binnen worden gegooid, hebben zij geen keuze meer en rennen naar buiten. Daar moeten de Nederlandse mannen hun jassen uittrekken en hun handen omhoog steken. Onder dreiging van mitrailleurvuur worden hoornblazer Los en de andere Nederlanders door de Duitsers vooruit gedreven, recht op de Nederlandse troepen af. Achter hen blijven de Duitsers schieten, zodat de Nederlandse troepen gedwongen worden het vuren te staken. Voor soldaat Los eindigt hier de strijd op de Grebbeberg. Hij is gevangen genomen en naar Duitsland vervoerd. Hoe het verder is gegaan met hoornblazer Los, is niet bekend. O.a. saxofonist soldaat Jacob Koenraad Krikke komt om het leven bij de Slag om de Grebbeberg.
Mei 1940 Slag om de Grebbeberg - Trompetterkorps 4RH (nu regiment Huzaren van Boreel) Bevrijding België & Nederland - Prinses Irene Brigade
Het trompetterkorps van het regiment Huzaren was een orkest dat volledig bestond uit dienstplichtige militairen. Tijdens de meidagen van 1940 kregen de muzikanten allen een andere taak, waarbij een aantal musici zich met een eenheid naar de Grebbelinie moesten verplaatsen. De oorlogsopdracht van 4RH, waar het trompetterkorps olv wachtmeester Wisman onder viel, lag in het zuidelijk gedeelte van de Veluwe. Na de mobilisatie was het Regiment daarom vanuit haar vredeslocatie, de Boreelkazerne in Deventer, naar verschillende locaties op de Veluwe (Ede, Arnhem en Apeldoorn) verplaatst. 4RH diende als vertragend element voor het in het zuidelijke gedeelte van de Grebbelinie verdedigende IIe Legerkorps. Deze taak moest uitgevoerd worden zonder grote gevechten aan te gan. Met te veel verliezen zou het Regiment immers haar vervolgopdracht, het vormen van een mobiele reserve-eenheid achter de Grebbelinie, niet meer kunnen uitvoeren. De vijand moest daarom vooral met het tijdig stellen van voorbereide vernielingen tijdverlies worden opgelegd. (Bron)
Foto: Trompetterkorps Huzaren van Boreel o.l.v. kapelmeester Wisman op de Boreelkazerne.
Kleine trom: Berend Meulman, pauken: Chris Wietzes, voorste rij derde van rechts Betrus Flikkema (trompet).
Hieronder een brief van dienstplichtig muzikant Ymke Merkus. Tijdens de meidagen van 1940 bevond zijn eenheid zich op de Grebbelinie, na de capitulatie heeft hij zich aangesloten bij het verzet en na D-Day vocht hij met de Prinses Irene Brigade tegen de Duitsers.
Bron.
Brief Ymke Merkus: Ik ben van de lichting 1938; ik kwam in dienst op 3 januari 1938 in Deventer, in de Boreelkazerne, kamer 62 als ik het goed heb. Doordat ik in Jubbega bij het muziekkorps was geweest (“De Bazuin”), kwam ik bij de militaire kapel onder leiding van wachtmeester Wisman. Gedurende de mobilisatie waren we op verschillende plaatsen op de Veluwe. Toen de Duitsers Nederland binnenvielen, gingen we naar Rhenen en de Grebbeberg, waar we stellingen innamen.
Ik herinner me nog dat de beschieting zo hevig was dat onze luitenant om een vrijwilliger vroeg om een bericht over te brengen naar de commandopost. Ik gaf me op en moest tijdens het vuur dwars door Rhenen, waar al veel huizen verwoest waren. Ik bracht het bericht over dat de verbindingen verbroken waren en kreeg vervolgens opdracht terug te keren met het bevel tot terugtrekking. In de dagen daarna werd er hevig gevochten. Kees Wind van ons peloton sneuvelde; hij lag bij mij op de kamer, waardoor ik hem goed kende. Ik ben later nog op zijn begrafenis geweest in Terband bij Heerenveen.
Na de capitulatie kwam ik weer thuis. In de laatste oorlogsjaren werkte ik veel in de ondergrondse: onderduikers zoeken en verplaatsen. We kregen meerdere keren Duitsers over de vloer, maar ik werd telkens op tijd gewaarschuwd. Mijn zwager, een zogenaamde “Volksduitser”, werd in 1942 opgeroepen en naar Rusland gestuurd. Tijdens zijn verlof regelden wij dat hij zou onderduiken. Bij een halte tussen Gorredijk en Langezwaag stapte hij uit, waar wij hem opwachtten. Hij verkleedde zich en verdween; zijn uniform en wapens zijn later nog gebruikt bij een overval in Leeuwarden.
Na D-Day in 1944 kon ik het niet langer aanzien. Ik wilde zelf bijdragen aan de bevrijding en besloot naar de Prinses Irene Brigade te gaan. Zonder voorbereiding vertrok ik begin augustus 1944 op de fiets vanuit Leeuwarden, richting het zuiden. Via verschillende plaatsen bereikte ik Arnhem, waar ik door me bij een groepje jongeren aan te sluiten ongecontroleerd de brug over de Rijn wist te passeren. Bij Nijmegen stak ik ’s nachts de Waal over met een roeibootje, maar moest mijn fiets achterlaten. Vanaf daar ging ik te voet verder.
Ik trok door Brabant, België en Frankrijk, zoveel mogelijk buiten de grote wegen om. Onderweg leefde ik van wat ik kon vinden en had ik grote moeite met mijn kapotte voeten en versleten kleding. Bij de Franse grens wist ik via een huis en een tuin langs een Duitse post te komen. Steeds vaker zag ik terugtrekkende Duitse troepen. Uiteindelijk kwam ik in een dorp waar het Franse verzet vocht; ik sloot me bij hen aan en nam een geweer van een gesneuvelde Duitser. In een café kreeg ik voor het eerst in weken goed eten. Tijdens een nachtelijke aanval schoot ik een Duitse officier neer die het café binnenstormde.
Kort daarna arriveerden Amerikaanse tanks en werd het gebied bevrijd. Via het verzet kwam ik bij een Belgische man terecht die mij verzorgde en hielp met eten, kleding en een brief van de burgemeester. Met die brief kon ik verder reizen en kreeg ik onderweg hulp. Via Amiens en België bereikte ik uiteindelijk de Prinses Irene Brigade, waar ik werd voorgesteld aan prins Bernhard. Hij nam me direct op in de brigade en ik werd ingedeeld bij de 2e Gevechtsunit. Mijn doel was bereikt.
Ik nam deel aan gevechten bij het Albertkanaal en later in Nederland. Bij Tilburg raakte ik zwaargewond toen een kogel een diepe wond in mijn hoofd trok. Wonder boven wonder overleefde ik het. Na herstel vocht ik verder, onder andere tijdens het Ardennenoffensief. Uiteindelijk kwamen we via Walcheren en de Maaslinie in Den Haag terecht, waar wij als eersten binnentrokken na de bevrijding. Dat moment zal ik nooit vergeten: bloemen, vreugde en mensen die alles wilden geven wat ze hadden.
Fuseliers worden feestelijk binnengehaald in Nederland (Den Haag?)
Toen Friesland bevrijd was, kreeg ik verlof en ging naar huis. Mijn moeder deed open; ik kon alleen “Mem” zeggen. Na de oorlog meldde ik me nog aan voor Oost-Indië, maar na de Japanse capitulatie werd ik gedemobiliseerd. Ik kwam in december 1945 thuis. Later werkte ik tien jaar als bewaarder in Leeuwarden, maar dat beviel niet. In 1955 emigreerden we naar Canada. Ik weet niet waarom ik dit allemaal verteld heb. Ik praat er zelden over, maar denk er vaak aan. Ik ben dankbaar dat ik gespaard ben gebleven en iets heb kunnen doen voor mijn vaderland. Mijn verhaal is niet opgesmukt; het is precies zoals het gegaan is.
In een latere brief schreef “Ike” Merkus nog dat hij twijfelde of hij zijn fiets nog bij zich had toen hij Eindhoven bereikte, of dat hij die eerder in de bossen had achtergelaten. Dat blijft voor hem een onopgelost detail.
Foto: Ymke Merkus in Canadees uniform.
1944: Normandië - Muziekkorps Prinses Irenebrigade
De Prinses Irene Brigade werd opgericht in 1940 in Groot-Brittannië, nadat veel Nederlandse militairen zich tijdens de Duitse bezetting de oversteek naar Engeland hadden genomen. Het doel van de brigade was om de strijd tegen de Duitse bezetter voort te zetten en de Nederlandse troepen in ballingschap te organiseren.
Een onderdeel van de brigade was het muziekkorps, opgericht in augustus 1940 in Congleton. Ondanks de moeilijke omstandigheden wisten de musici snel een groep te vormen en met beperkte middelen te repeteren. Het muziekkorps trad regelmatig op in Engelse steden, verzorgde marcherende optredens, maakte radio-uitzendingen voor Radio Oranje en de BBC, en nam meerdere platen op.
Naast hun muzikale taken kregen de leden van het muziekkorps vanaf begin 1943 ook een militaire rol: zij werden getraind om gewonden te verzorgen en gesneuvelden van het slagveld af te voeren, en ondersteunden de brigade in 1944 in Normandië. Kapelmeester sergeant Lammers is tijdens Operatie Market Garden als eerste Nederlander in Normandië gesneuveld.
Kapel Prinses Irene Brigade, 1941