Muziek in het Haagse Bos

Tijdens de 17e en 18e eeuw wordt het Haagse Bos gebruikt als militair oefenterrein door troepen van het Staatse Leger. De regimentsmuzikanten, de tamboers en Pijpers, oefenen regelmatig op de zogeheten Bloedheuvel in het bos.

Schilderij van P.C. la Farque

In de 19e eeuw was de muziektraditie in het Haagse Bos nauw verbonden met de stafmuziek van het regiment Grenadiers en Jagers. Onder leiding van kapelmeester Dunkler groeide de muziekkapel uit tot een vooruitstrevend orkest, dat een belangrijke rol speelde in het Haagse muziekleven. Bijzonder is de band tussen vader en zoon Dunkler met de instrumentenbouwers vader Charles en zoon Adolphe Sax. Hierdoor bevond Dunkler jr. zich in een unieke positie: hij was een van de eersten die de nieuwe instrumenten van Sax kon uitproberen. Dunkler kreeg regelmatig prototypes van Sax, waaronder vroege vormen van de saxhoorn (concert 29 juli 1848) en de saxofoon (concert 16 september 1852) die hij in zijn orkest introduceerde en testte tijdens concerten in de societeitstent. Daarmee liep de stafmuziek van de Grenadiers en Jagers voorop in de ontwikkeling van de (militaire) blaasmuziek en was de Haagse bevolking getuige van deze unieke muzikale vernieuwing.

Ook na Dunkler bleef de traditie in het Haagse bos bestaan. Andere kapelmeesters namen de leiding over en zetten de concertreeks voort. Ook het muziekkorps van de Haagse schutterij trad regelmatig op in de societeitstent en droeg zo bij aan het levendige muziekleven in het bos. Een bekende naam is kapelmeester C.L. Walther Boer, naar wie later de Walther Boer-weide in het Haagse Bos is vernoemd, op de plek waar de societeitstent heeft gestaan. Zo bleef het Haagse Bos lange tijd een belangrijk centrum voor (militaire) blaasmuziek, openbare concerten en een ontmoetingsplaats voor allerlei rangen en standen van de Haagse bevolking.

Koninklijke Militaire Kapel bij de societeitstent in het Haagse Bos